Menu

· Humanitaire Operaties
· Sport

· Plechtigheden
Rotselaar

Op zondag 14 september 2003 nam onze eenheid traditiegetrouw deel aan de herdenkingsplechtigheid te Rotselaar. De gemeente Rotselaar was in vroegere tijden de tweede peterstad van het 5de Linieregiment. Het 5de Linie leverde tijdens de Eerste Wereldoorlog slag aan de Molen te Rotselaar. Na de fusie in 1992 van het Bataljon Bevrijding en het bataljon 5de Linie, werden de tradities door de nieuwe eenheid Bevrijding – 5de Linie overgenomen.

Historiek

Aan de vooravond van de ‘Grooten Oorlog’ kon het Belgische leger beschikken over ongeveer 207.000 manschappen, door de vijftien militieklassen onderworpen aan de militaire verplichting te mobiliseren. De acht jongste klassen vormden een contingent van 117.000 manschappen bestemd voor het Veldleger. De zeven oudste klassen leverden 90.000 manschappen aan het Vestingleger, bestemd voor de garnizoenen van de Versterkte Steunpunten Luik en Namen en de Versterkte Vesting Antwerpen. Tijdens de eerste weken van de vijandelijkheden werd dit aantal aangevuld met ongeveer 38.000 niet-opgeleide manschappen, waaronder oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen van de klas 1914. Zij vormden samen met de Burgerwacht de kern van de Territoriale Dienst. Bij de overschakeling van het regime op vredesvoet naar het regime op oorlogsvoet (1 augustus 1914) werd het Belgische Leger opgesplitst in vier grote entiteiten: het Groot Hoofdkwartier, het Veldleger, het Vestingsleger en de Territoriale Dienst.

Eind juli 1914 was het Veldleger samengesteld uit zeven Afdelingen, namelijk zes Legerafdelingen en één Cavalerieafdeling. Eén Legerafdeling omvatte een Hoofdkwartier, drie of vier Gemengde Brigades, een Regiment Afdelingscavalerie, een Regiment bereden Afdelingsartillerie, een Bataljon Afdelingsgenie met een sectie Veldtelegrafie en een Afdelingsvervoerskorps. Een Gemengde Brigade bestond uit een Staf, een 1ste en 2de Regiment Infanterie, een Compagnie Machinegeweren, een Groep bereden Artillerie en een Peloton Gendarmerie. De twee Regimenten Infanterie bestonden uit een regimentsstaf en drie bataljons. Elk bataljon telde een eigen staf en vier compagnies. Elke compagnie werd verdeeld in drie pelotons, elk peloton in vier secties. Het 5de Linieregiment behoorde samen met het 25ste Linieregiment tot de 5de Gemengde Brigade van de 2de Legerafdeling (Luitenant-generaal Dossin).

In 1914 is België nog steeds gebonden aan het Tractaat van 1839: de neutraliteit bewaren en het vrijwaren van het grondgebied. Hoewel het Duitse Keizerrijk, als enige mogelijke agressor, zich manifesteerde, bleef het Belgische Veldleger opgesteld in de geest van dit tractaat. Enkel de 3de Legerafdeling (Luik) en de 4de Legerafdeling (Namen) beschermden de oostelijke landsgrens. De andere Afdelingen waren verspreid op de rest van het grondgebied. Men koos er bewust voor om geen troepen te concentreren voor de Duitse grens, teneinde de Duitsers geen alibi voor een inval te bezorgen.

Na melding van verhoogde militaire activiteit in het Rijnland, werden de troepen op manoeuvres terug geroepen naar hun garnizoenen. De vergunningen werden geschorst en de manschappen met beperkt verlof werden terug onder de wapens geroepen. Men schakelde op 29 juli 1914 de Afdelingen over naar het regime van versterkte vredesvoet. Het 5de Linieregiment verbleef te Antwerpen met twee bataljons in de Sint Joriskazerne. De Regimentsschool bevond zich te Oudenaarde. Op die dag werden, op bevel van de Minister van Oorlog, de regimentsscholen ontbonden, de infanterieregimenten ontdubbeld (Zo ontstond uit het 5de Linieregiment, het 25ste Linieregiment) en werden de aanvulling der schietbenodigdheden van de veldartillerie in de divisie- en hulpparken ondergebracht.

Op 31 juli 1914 omstreeks 19.00 uur riep België de onmiddellijke en algehele mobilisatie uit. Op 01 augustus 1914 werd Koning Albert I geïnstalleerd als Opperbevelhebber van het operationeel gebeuren en wordt de Legerstaf omgevormd tot een groot Hoofdkwartier. De mobilisatieverrichtingen verliepen, naar de mogelijkheden van die tijd, verrassend snel. ’s Avonds was het grootste deel van de Gemengde Brigades al samengebracht.

Op 2 augustus 1914 mobiliseerden de Franse en Duitse legers zich. Vanaf 06.00 uur schond Duitsland de onzijdigheid van het Groothertogdom Luxemburg, maakten zich meester van de spoorwegen en bezette de hoofdstad. Die dag verklaarde Duitsland aan Rusland de oorlog. Door een Frans-Russisch bondgenootschap was dit ook meteen het begin van de Frans-Duitse oorlog. De Duitse Zaakgelastigde voor België overhandigde om 18.00 uur een ultimatum aan de Belgische Minister van Buitenlandse Zaken. De Belgische overheid verwierp unaniem de eis tot vrije doorgang voor de Duitse troepen op haar grondgebied. Op 3 augustus om 07.00 uur wordt deze weigering overgemaakt aan de Duitse Ambassade. Op 3 augustus werd met instemming van de Britse en Franse regering over gegaan tot de in plaatsstelling van het Belgische Veldleger. De 2de legerafdeling werd bijgetrokken tot de regio Leuven.

Men koos ervoor om het Veldleger samen te trekken aan de Gete, door diplomatieke, strategische en tactische motieven. Op het internationale forum kon de stellingname aan de Gete verdedigd worden als preventie tegen zowel een Duitse als Franse inval. Strategisch werd het behoud van de verbinding tussen de Steunpunten Luik en Namen, de Vesting Antwerpen en de Centrale Bevoorradingsplaats Brussel verzekerd. Tactisch vormde een bruggenhoofd aan de Gete een mogelijke aansluiting voor de Franse frontlijn Rijsel-Longwy en voor een Brits expeditieleger via Antwerpen, Duinkerken of Oostende.

Op 4 augustus 1914 werd om 06.00 uur de officiële reactie op het ontzeggen van een vrije doortocht door de Duitse Zaakgelastigde aan de Belgische regering overhandigd. Om 08.02 uur overschreden de eerste Duitse troepen de grens nabij Gemmenich.

Onder Duitse druk werd de 3de Legerafdeling op 6 augustus verdreven naar de westelijke Maasoever. Luik valt in Duitse handen. Enkel de forten houden stand. De 3de Legerafdeling werd samen met de Cavalerieafdeling teruggetrokken, om stelling te nemen ter hoogte van de 1ste en 5de Legerafdeling (lijn Budingen – Diest).

Op 10 augustus vonden de eerste schermutselingen plaats tussen de voorposten van het Belgische Veldleger en de oprukkende Duitse Cavalerie. De ‘Slag van Linsmeel’ en de ‘Slag van Orsmaal’ eindigen beide in de tactische overwinning voor de Duitsers. Het Belgische Veldleger diende zich andermaal terug te trekken, ditmaal ten westen van de Gete. Een Duitse poging om op 12 augustus 1914 via het noorden op te rukken werd ter hoogte van ‘Halen’ succesvol gestuit door de Belgen. De Duitse Cavalerie wil op dat moment geen rechtstreekse confrontatie meer aangaan met het gros van het Belgische Veldleger. Zij beperkte zich tot het controleren van het reeds veroverde gebied in afwachting van de aankomende Duitse Legerkorpsen. Op 15 augustus zwicht het laatste fort uit de Versterkte Stelling Luik. Een rechtstreeks treffen tussen beide troepenmachten wordt onvermijdelijk. Op 18 augustus kwamen de Duitse voorhoedes in contact met de Belgische voorposten; Diest, Budingen, Halen, Neerlinter, Grimde, St.-Margriete-Houtem, Kumtich, …. De Duitsers behalen een overwinning over de ganse lijn.

Het Belgische Leger besloot om in de late avond van 18 augustus 1914 zich terug te trekken in de versterkte stelling rondom Antwerpen. De legerleiding ging ervan uit dat deze plaats niet zou kunnen worden ingenomen door de vijand zonder de inzet van massale middelen. Bovendien zouden vanuit deze stelling, de Belgische eenheden een constante bedreiging kunnen blijven vormen voor de flank van het Duitse leger die optrok richting Frankrijk en haar communicatielijnen. Door deze opstelling zou men ook de Duitsers verplichten om troepen op deze flank te zetten, zodat het front tegen de Fransen niet maximaal werd bezet. Tevens zouden de effectieven van het Belgische leger via de Schelde kunnen worden versterkt en indien de situatie onhoudbaar werd, zou van hieruit een tactische terugtocht naar de kuststreek worden uitgevoerd om daar een defensieve stelling uit te bouwen.

Op 20 augustus was de Belgische terugtrekking voltooid. Men beraadslaagde over het te volgen beleid. Men sloot een rechtstreeks gevecht tegen de oprukkende Duitse Legerkorpsen uit, gezien de superioriteit in manschappen en materieel. Na ontvangst van het bericht van het beleg van het Steunpunt Namen (20 augustus) was men er toch van overtuigd dat een louter defensieve houding geen oplossing bood. Men ging er terecht van uit dat het Steunpunt slechts enkele dagen kon stand houden. Er werd besloten om over te gaan tot een offensieve actie tegen de open rechterflank van het Duitse Leger. Namelijk de verbindingsas Luik-Brussel, de slagader van de Duitse bevoorrading. Om de kansen voor een succesvolle uitval te verhogen, diende aan twee voorwaarden worden voldaan; Vooreerst moest het gros van de Duitse troepen ver genoeg naar het zuiden zijn opgetrokken, zodat zij niet als onmiddellijke versterking bij een mogelijk tegenoffensief worden aangewend. Ten tweede moest de aangevallen Duitse troepenmacht een inferieure slagkracht bezitten; Hierdoor zou de vijand genoodzaakt zijn om een aantal voor het zuiden bestemde troepen in de richting van Antwerpen af te leiden. De strategische opzet kan als volgt worden samengevat: het afremmen van de Duitse opmars door het verstoren van zijn aanvoerlijnen en het binden van Duitse troepen bestemd voor een confrontatie met onze Geallieerden in de Frans-Belgische grenszone (Bergen).

Dit resulteerde in de Eerste Uitval (25-26 augustus). Er werd een frontale aanval uitgevoerd tegen de Duitse stellinglijn Merchtem-Leuven-Aarschot. De Belgische troepen slagen erin om de vijandelijke voorposten terug te drijven, maar beschikken noch over de manschappen, noch over de middelen om het front te doorbreken. Inetgendeel zelfs, zij worden op sommige plaatsen in het defensief gedwongen. De Koning besluit om zijn troepen terug te trekken binnen de Vesting Antwerpen, omdat ook de Geallieerden eerst wensten te reorganiseren. Ondanks het mislukken van de aanval op de Duitse verbindingslijnen, bond men toch na de aanval zes Vijandelijke Divisies ter plaatse.

Na de reorganisatie van de Geallieerden na de terugtocht uit Bergen, nemen zij stelling aan de Marne in afwachting van een beslissende confrontatie. Deze komt er op 6 september, wanneer de ‘Slag aan de Marne’ (6-9 september) werd geopend. De Geallieerden houden stand. In de daaropvolgende dagen proberen de Duitsers een doorbrak af te dwingen door bijkomende versterkingen aan te voeren. Wanneer de Belgische Legerstaf op 7 en 8 september vernam dat Duitse eenheden, gelegerd rond Antwerpen, het order ontvingen om zich naar de Marne te begeven, nam men de beslissing voor de Tweede Uitval (9-13 september). Bij deze beslissing stond het Geallieerd belang boven het Belgische eigenbelang. Op 9 september viel men de Duitse frontlijn aan. Evenals de Eerste Uitval, kon men geen doorbraak forceren. Toch, ondanks de zware verliezen, voerden de Belgische Afdelingen keer op keer het offensief uit op de Duitse stellingen. Wanneer op 13 september de Duitse nederlaag aan de Marne een feit is, werd de Tweede Uitval afgebroken en trok men zich terug in de oude stellingen. De taak van het Belgische Veldleger was volbracht. De Duitsers hadden geen versterkingen vanuit Antwerpen naar de Marne kunnen sturen, maar waren bovendien ook genoodzaakt om versterkingen bestemd voor de Marne af te leiden naar Antwerpen. Zonder deze Belgische actie, was waarschijnlijk de ‘Slag aan de Marne’ anders afgelopen.

De Slag bij de Molen

In het kader van de Tweede Uitval kreeg de 2de Legerafdeling op 12 september 1914 de volgende opdracht: ‘De 2de Legerafdeling zal Wesemaal veroveren. Na deze verovering zal zij een eenheid opstellen tegenover Leuven, die sterk genoeg moet zijn om een mogelijke aanval vanuit de stad af te slaan. De andere eenheden zullen opmarcheren naar het westen, het Kanaal te Tildonk oversteken en een bruggenhoofd maken achter de 6de Legerafdeling.

Luitenant-generaal Dossin geeft de volgende bevelen aan zijn ondereenheden: de 7de Brigade zal oprukken naar Kortrijk-Dutzel. De 6de Brigade naar Wesemaal en de weg naar Leuven, om van daaruit de Duitse stellingen ten oosten van het Dijlekanaal aan te vallen. De 5de Gemengde Brigade naar Beversluis-Rotselaar, Molen, met als objectief Wijgmaal en de vijandelijke aanvalsstellingen ten oosten van het Dijlekanaal. De voorhoede van de 5de Brigade dient de brug van Molen te bereiken om 06.30 uur.

De 5de Brigade (Generaal De Brauwere) wordt met de hoofdkrachtinspanning belast. Het 5de Linieregiment (Kolonel Larmoyer) is aan de beurt om in eerste linie op te treden. Dit gebeurt in de volgorde 1ste Bataljon, Compagnie machinegeweren, 2de Bataljon en 3de Bataljon. De Dijlevallei is in een lichte nevel gehuld. In de verte hoort men enkele geweerschoten. Onderweg zien de linietroepen de artillerie van de 5de Brigade haar schietstelling klaar maken vlak bij de weg, op 600 meter van de toren van Rotselaar. Terwijl het 5de Linieregiment doorzet naar Molen, ligt het 25ste Linieregiment in reserve ten noorden van Rotselaar.

Molen is een gehucht van Rotselaar. Het bestaat uit enkele huizen, die rond de brug over de Dijle geschaard staan. Op deze plaats vormt de rivier een eilandje. Het water stroomt er snel en krachtig in een diepe bedding. Die stroming levert de nodige aandrijving voor een watermolen. De brug is zeer eng, waardoor de overtocht van troepen belemmerd wordt. Het terrein aan de overzijde, waar de weg loopt naar Walestraat, een ander gehucht, ligt in een komvormige inzinking. Het schietveld is beperkt. Dicht kreupelhout, rijen bomen en bosjes, die vooral rond het Jezuïtenhof tamelijk voor komen; overdekken de streek. Het maakt het terrein uitermate geschikt voor hinderlagen, uiterst moeilijk te doorzoeken, daar de tijd ontbreekt en de verkenners dicht op de hielen worden gevolgd door de voorhoede, bestaande uit het gros van het I Bataljon en de Compagnie machinegeweren van de 5de Gemengde Brigade. Het 1ste Bataljon van het 5de Linieregiment, staat onder leiding van Commandant Lequeux, een oud-koloniaal. Om 6.45 uur trekt hij met zijn bataljon over de brug van Molen, ontplooid zijn eenheden ten zuiden van Walestraat over de Steenweg Rotselaar-Wijgmaal en zet de strijd in tegen de Duitse infanterie.

Een sectie geschut van de 5de Brigade kiest stelling in de nabijheid der compagnies in de eerste frontlinie. Spoedig is het 1ste Bataljon in een hardnekkig gevecht gewikkeld en wordt bestookt door een enorm artillerie-, infanterie- en mitrailleurvuur. De Duitsers gaan zelf in de aanval. Het gevecht is enorm. Rond 08.45 uur heeft het 1ste Bataljon enorme verliezen ondergaan, maar men vermoedt dat de vijand er nog erger aan toe is, want zijn vuur neemt opmerkelijk af. Het Bataljon vraagt dringend munitie en versterking. Het 2de Bataljon (Majoor Bouhon) wordt ter hulp gezonden. Het vijandelijk vuur neemt toe. De Duitse artillerie bestookt het ganse terrein. De Belgische vooruitgang wordt gestuit, maar ondanks de vijandelijke druk en enorme verliezen houden de Belgen stand. Het 3de Bataljon (Majoor Montlibert) komt intussen ook in lijn met het oog voor de aanval op Wijgmaal. Onder een duchtige beschieting, steekt het de brug in Molen over, rukt snel op maar botst op de Duitse hinderlagen, gespannen in het struikgewas en de bossen tussen de Jezuïtenhoeve en Walestraat. De compagnies zoeken bescherming en openen onmiddellijk het vuur. De 2de Compagnie van het 2de Bataljon bemerkt op minder dan 300 meter een linie tirailleurs. Aan de uniformen kan men zien dat men te maken heeft met soldaten van de Marinebrigade. Salvo’s en afzonderlijk geweervuur verdrijven deze aanvallers. Al deze krachtinspanningen gaan gepaard met grote verliezen en vanaf 08.00 uur trekt dan ook een erbarmelijke stoet van gekwetsten over de brug van Molen. Rond 09.30 uur brengt de bevelhebber van de 5de Gemengde Brigade de Commandant van het 25ste Linieregiment op de hoogte van de hachelijke toestand waarin het 5de Linieregiment zich bevindt. Het dient het offensief van het 5de Linieregiment te steunen met twee van zijn bataljons. Na een kort oponthoud op de rechteroever van de Dijle slagen het 1ste Bataljon van het 25ste Linie (Majoor Tielemans) en het 2de Bataljon van het 25ste Linie (Majoor Gillet) erin om de fel beschoten brug van Molen te overschrijden. Omstreeks 10.00 uur wordt de toestand uiterst netelig. De brug lijdt onder de bombardementen. Het vuur komt uit alle richtingen. Vooral uit het zuiden, waar nochtans de 6de Brigade met de flankbescherming belast was, verwekt de nodige onrust. Men zendt een patrouille uit. Deze passeert een grenadierspost, 300 meter ten zuiden van Molen maar komt niet meer terug. Tevergeefs zoekt men de vijandelijke stellingen, het uitzicht is echter beperkt. Het Bataljon van Majoor Tielemans marcheert op kop. Men heeft nog maar net de andere oever van de Dijle bereikt, waar men stelling neemt of Majoor Tielemans wordt zwaar in de buik getroffen. De Duitsers hadden de verplaatsing gezien en zette Molen met zijn artillerie in vuur en vlam. Weldra is de weg van Molen met troepen overstelpt. De verliezen worden enorm. De eenheden bezetten de gracht van de Leybeek, het 1ste Bataljon van het 25ste ten zuiden van de steenweg, het 2de Bataljon ten noorden. Men beseft het gevaar waarin het 3de Bataljon van het 5de Linie zich bevindt aan de Jezuïtenhoeve en men plaatst een sectie mitrailleurs op een zolder van een huis in de Walestraat om de Duitsers in bedwang te houden. Dank zij het snelle en kordate optreden van deze sectie wordt de Duitse opmars gestopt en blijft het 3de Bataljon van een onvermijdelijke uitroeiing gespaard. De huizenrij van de Walestraat biedt een tijdelijke bescherming tegen kogels; gewonden en stervenden worden er ondergebracht. De 2de Compagnie van het 3de Bataljon van het 5de Linie, linkervleugel van de Brigade, dringt door tot de bossen ten noorden van de Jezuïtenhoeve maar valt onder een gejusteerd vuur. Men tracht tevergeefs op te rukken, maar moet uiteindelijk wijken, doch moet vaststellen dat zijn terugtochtweg is afgesloten. Ten koste van vele doden en gekwetsten, die zij in de bossen dienden achter te laten, kunnen zij zich bij de resten van het 1ste Bataljon voegen. Zij worden ingedeeld bij dit bataljon, doch men heeft een groot munitietekort. De Duitsers zijn genaderd tot op 100 meter. Hun overmacht is verpletterend, het 5de Linie is ten einde kracht en moet wijken. De meeste officieren zijn gedood of gekwetst, lagere kaders zijn weggesmolten. Er zijn haast geen bevelvoerende officieren meer. Met het ontbreken van de bevelhebbers, is de tegenstand ontzenuwd en de uiteengeslagen troepen moeten wijken. De meesten hebben geen munitie meer. De vijand rukt verder op, benut het terrein maximaal en maakt uiterst handig gebruik van zijn eigen mitrailleurs en artillerie. De Belgische stelling is een hel geworden. De Belgische machinegeweren verschieten hun laatste banden, maar staan machteloos tegenover de oprukkende Duitsers. De Duitsers omsingelen de Belgen. Het terrein is bezaaid met doden en gewonden. Zij, die trachten te ontsnappen, zijn doodop en moeten over de lijken van makkers kruipen, machteloos tegenover sommige zwaar gekwetsten, die hier en daar met hartverscheurende stem om hulp roepen. Uiteindelijk bereikt men de lijn, bezet door de Grenadiers, die op hun beurt onder zwaar vuur vallen. Ondertussen verdedigt de 1ste Compagnie van het 3de Bataljon van het 5de Linie onder een hevig bombardement nog steeds de brug. De restanten van de Compagnie machinegeweren zijn tot aan de brug geraakt. Bijna al de honden zijn verloren, doch alle stukken staan in stelling. Het helse vuur maakt de overtocht over de brug echter onmogelijk. Men kant slechts al zwemmend onder een kogelregen de overkant bereiken.Zij die niet kunnen zwemmen trachten te ontsnappen langs noordelijke richting, doch worden neergeschoten.

Zij die dit zien,springen uiteindelijk toch in het water, doch verdrinken. Het is een tragisch schouwspel. Een mitrailleur met zijn hondenspan wordt met de stroom meegesleurd. Sommige mannen die nog op de vijandelijke oever zijn achtergebleven verkopen hun leven duur. Van achter de wilgen doen zij menige vijand in het zand bijten. Tussen 10.00 uur en 10.30 is de aftocht algemeen. Op het slagveld liggen 324 lijken verspreid. Rond de brug van Molen liggen de lichamen van Grenadiers en soldaten van de 5de Gemengde Brigade als een vleeshoop opeen waartussen menig gekwetste nog gruwelijk uren moet doorbrengen. Vele gevangengenomen gekwetsten worden door de Duitsers ondergebracht in het hospitaal van Leuven waar nog velen een wrede dood, tengevolge van koudvuur of bloedvergiftiging, zullen sterven. Molen is getuige geweest van bovenmenselijk krachtinspanningen en heldendaden. De verliezen toegebracht aan de 5de Brigade op de vijf gevechtsdagen tijdens de Tweede Uitval bewijzen hoe het er aan toe is gegaan: 994 manschappen waren gesneuveld, vermist, gekwetst of achtergelaten. 325 lijken van soldaten van de 5de Gemengde Brigade werden na de slag te Rotselaar begraven. Streekbewoners noemen de begraafplaats ‘het Kerkhof van het 5de Linie’.

Het Monument

In 1935 werd het monument, dat hulde brengt aan de gesneuvelden van het 5de en 25ste Linieregiment, opgericht aan de 5de Liniestraat, ongeveer 200 meter west van Molen. Het is misschien interessant te vermelden waarom dit monument pas 17 jaar na het einde van de oorlog werd onthuld. Geschreven documenten hierover zouden niet bestaan, maar het is wellicht zeker dat zowel de vieringen van het 100 jarig bestaan van België (in 1930) als het ongenoegen van de Verbroederingen van oudgedienden over de vermeldingen op hun vaandels, ertoe bijgedragen zouden hebben dat er op de plaats waar minder bekende veldslagen plaatsvonden, monumenten werden opgericht. De festiviteiten gingen gepaard met het uitreiken van allerlei bewijzen van erkentelijkheid. De eenheden van het Belgische leger, die al bestonden van bij het ontstaan van België, hadden een grote bijdrage geleverd aan de verdediging van het grondgebied tegen de Duitse invallers. Deze eenheden, vooral gestimuleerd door de sterke achterban van Verbroederingen van oudgedienden, vroegen zich af waarom de plaatsen waar ze gevochten hadden gedurende de 1ste en 2de uitval uit Antwerpen niet in hun vaandel vermeld stonden. In 1922 werd een lijst met namen van officiële veldslagen overgemaakt aan de koning. Daarin werden de verschillende slagen, gevoerd in het kader van beide uitvallen gecentraliseerd onder de naam “Antwerpen”. Koning Albert I erkende de lijst en zodoende kregen de eenheden de vermelding “Antwerpen” op hun vaandel. De militairen die effectief op die plaatsen gevochten hadden verenigden zich in een groepering “Croix de feu”, die met circa 100.000 leden een sterke drukkingsgroep vormden en geregeld bijéén kwamen. Door deze bijeenkomsten werd de impuls gegeven om monumenten op te richten om de vrij onbekende slagen, maar daarom niet minder belangrijke, van de operaties rond Antwerpen in het daglicht te stellen. De oprichting van de meeste monumenten werden trouwens door de verschillende verbroederingen zelf bekostigd en onderhouden. Het is ook in die geest dat het monument te Rotselaar werd opgericht. In september 1948 werd door de toenmalige gemeenteraad van Rotselaar beslist om de Slag aan de Molen te herdenken door een straat naar het 5de Linieregiment te noemen. Op de straatnaamplaat werd tevens vermeld: “Slag aan de molen, 12 september 1914”. Op 26 september 1948 werd de 5de Linieregimentstraat officieel ingehuldigd. De gemeente Rotselaar aanvaarde het peterschap over het 5de Linie op 9 september 1990.

Jaarlijkse Parade