|
Onder Duitse druk werd de 3de Legerafdeling op 6
augustus verdreven naar de westelijke Maasoever. Luik valt in Duitse handen.
Enkel de forten houden stand. De 3de Legerafdeling werd samen met de
Cavalerieafdeling teruggetrokken, om stelling te nemen ter hoogte van de 1ste
en 5de Legerafdeling (lijn Budingen – Diest).
Op 10 augustus vonden
de eerste schermutselingen plaats tussen de voorposten van het Belgische
Veldleger en de oprukkende Duitse Cavalerie. De ‘Slag van Linsmeel’ en de ‘Slag
van Orsmaal’ eindigen beide in de tactische overwinning voor de Duitsers. Het
Belgische Veldleger diende zich andermaal terug te trekken, ditmaal ten westen
van de Gete. Een Duitse poging om op 12 augustus 1914 via het noorden op te
rukken werd ter hoogte van ‘Halen’ succesvol gestuit door de Belgen. De Duitse
Cavalerie wil op dat moment geen rechtstreekse confrontatie meer aangaan met
het gros van het Belgische Veldleger. Zij beperkte zich tot het controleren van
het reeds veroverde gebied in afwachting van de aankomende Duitse Legerkorpsen.
Op 15 augustus zwicht het laatste fort uit de Versterkte Stelling Luik. Een
rechtstreeks treffen tussen beide troepenmachten wordt onvermijdelijk. Op 18
augustus kwamen de Duitse voorhoedes in contact met de Belgische voorposten;
Diest, Budingen, Halen, Neerlinter, Grimde, St.-Margriete-Houtem, Kumtich, ….
De Duitsers behalen een overwinning over de ganse lijn.
Het Belgische Leger besloot om in de late avond van 18
augustus 1914 zich terug te trekken in de versterkte stelling rondom Antwerpen.
De legerleiding ging ervan uit dat deze plaats niet zou kunnen worden ingenomen
door de vijand zonder de inzet van massale middelen. Bovendien zouden vanuit
deze stelling, de Belgische eenheden een constante bedreiging kunnen blijven
vormen voor de flank van het Duitse leger die optrok richting Frankrijk en haar
communicatielijnen. Door deze opstelling zou men ook de Duitsers verplichten om
troepen op deze flank te zetten, zodat het front tegen de Fransen niet maximaal
werd bezet. Tevens zouden de effectieven van het Belgische leger via de Schelde
kunnen worden versterkt en indien de situatie onhoudbaar werd, zou van hieruit
een tactische terugtocht naar de kuststreek worden uitgevoerd om daar een
defensieve stelling uit te bouwen.
Op 20 augustus was de Belgische terugtrekking voltooid. Men
beraadslaagde over het te volgen beleid. Men sloot een rechtstreeks gevecht
tegen de oprukkende Duitse Legerkorpsen uit, gezien de superioriteit in
manschappen en materieel. Na ontvangst van het bericht van het beleg van het
Steunpunt Namen (20 augustus) was men er toch van overtuigd dat een louter
defensieve houding geen oplossing bood. Men ging er terecht van uit dat het
Steunpunt slechts enkele dagen kon stand houden. Er werd besloten om over te
gaan tot een offensieve actie tegen de open rechterflank van het Duitse Leger.
Namelijk de verbindingsas Luik-Brussel, de slagader van de Duitse bevoorrading.
Om de kansen voor een succesvolle uitval te verhogen, diende aan twee
voorwaarden worden voldaan; Vooreerst moest het gros van de Duitse troepen ver
genoeg naar het zuiden zijn opgetrokken, zodat zij niet als onmiddellijke
versterking bij een mogelijk tegenoffensief worden aangewend. Ten tweede moest
de aangevallen Duitse troepenmacht een inferieure slagkracht bezitten; Hierdoor
zou de vijand genoodzaakt zijn om een aantal voor het zuiden bestemde troepen
in de richting van Antwerpen af te leiden. De strategische opzet kan als volgt
worden samengevat: het afremmen van de Duitse opmars door het verstoren van
zijn aanvoerlijnen en het binden van Duitse troepen bestemd voor een
confrontatie met onze Geallieerden in de Frans-Belgische grenszone (Bergen).
Dit resulteerde in de Eerste Uitval (25-26 augustus). Er
werd een frontale aanval uitgevoerd tegen de Duitse stellinglijn
Merchtem-Leuven-Aarschot. De Belgische troepen slagen erin om de vijandelijke
voorposten terug te drijven, maar beschikken noch over de manschappen, noch
over de middelen om het front te doorbreken. Inetgendeel zelfs, zij worden op
sommige plaatsen in het defensief gedwongen. De Koning besluit om zijn troepen
terug te trekken binnen de Vesting Antwerpen, omdat ook de Geallieerden eerst
wensten te reorganiseren. Ondanks het mislukken van de aanval op de Duitse
verbindingslijnen, bond men toch na de aanval zes Vijandelijke Divisies ter
plaatse.
Na de reorganisatie van de Geallieerden na de terugtocht uit
Bergen, nemen zij stelling aan de Marne in afwachting van een beslissende
confrontatie. Deze komt er op 6 september, wanneer de ‘Slag aan de Marne’ (6-9
september) werd geopend. De Geallieerden houden stand. In de daaropvolgende
dagen proberen de Duitsers een doorbrak af te dwingen door bijkomende
versterkingen aan te voeren. Wanneer de Belgische Legerstaf op 7 en 8 september
vernam dat Duitse eenheden, gelegerd rond Antwerpen, het order ontvingen om
zich naar de Marne te begeven, nam men de beslissing voor de Tweede Uitval
(9-13 september). Bij deze beslissing stond het Geallieerd belang boven het
Belgische eigenbelang. Op 9 september viel men de Duitse frontlijn aan. Evenals
de Eerste Uitval, kon men geen doorbraak forceren. Toch, ondanks de zware
verliezen, voerden de Belgische Afdelingen keer op keer het offensief uit op de
Duitse stellingen. Wanneer op 13 september de Duitse nederlaag aan de Marne een
feit is, werd de Tweede Uitval afgebroken en trok men zich terug in de oude
stellingen. De taak van het Belgische Veldleger was volbracht. De Duitsers
hadden geen versterkingen vanuit Antwerpen naar de Marne kunnen sturen, maar
waren bovendien ook genoodzaakt om versterkingen bestemd voor de Marne af te
leiden naar Antwerpen. Zonder deze Belgische actie, was waarschijnlijk de ‘Slag
aan de Marne’ anders afgelopen.
De Slag bij de Molen
In het kader van de Tweede Uitval
kreeg de 2de Legerafdeling op 12 september 1914 de volgende
opdracht: ‘De 2de Legerafdeling zal Wesemaal veroveren. Na deze
verovering zal zij een eenheid opstellen tegenover Leuven, die sterk genoeg
moet zijn om een mogelijke aanval vanuit de stad af te slaan. De andere
eenheden zullen opmarcheren naar het westen, het Kanaal te Tildonk oversteken
en een bruggenhoofd maken achter de 6de Legerafdeling.
Luitenant-generaal Dossin geeft de
volgende bevelen aan zijn ondereenheden: de 7de Brigade zal oprukken
naar Kortrijk-Dutzel. De 6de Brigade naar Wesemaal en de weg naar
Leuven, om van daaruit de Duitse stellingen ten oosten van het Dijlekanaal aan
te vallen. De 5de Gemengde Brigade naar Beversluis-Rotselaar, Molen,
met als objectief Wijgmaal en de vijandelijke aanvalsstellingen ten oosten van
het Dijlekanaal. De voorhoede van de 5de Brigade dient de brug van
Molen te bereiken om 06.30 uur.
De 5de Brigade (Generaal
De Brauwere) wordt met de hoofdkrachtinspanning belast. Het 5de
Linieregiment (Kolonel Larmoyer) is aan de beurt om in eerste linie op te
treden. Dit gebeurt in de volgorde 1ste Bataljon, Compagnie
machinegeweren, 2de Bataljon en 3de Bataljon. De
Dijlevallei is in een lichte nevel gehuld. In de verte hoort men enkele
geweerschoten. Onderweg zien de linietroepen de artillerie van de 5de
Brigade haar schietstelling klaar maken vlak bij de weg, op 600 meter van de
toren van Rotselaar. Terwijl het 5de Linieregiment doorzet naar
Molen, ligt het 25ste Linieregiment in reserve ten noorden van
Rotselaar.
Molen is een gehucht van Rotselaar.
Het bestaat uit enkele huizen, die rond de brug over de Dijle geschaard staan.
Op deze plaats vormt de rivier een eilandje. Het water stroomt er snel en
krachtig in een diepe bedding. Die stroming levert de nodige aandrijving voor
een watermolen. De brug is zeer eng, waardoor de overtocht van troepen
belemmerd wordt. Het terrein aan de overzijde, waar de weg loopt naar
Walestraat, een ander gehucht, ligt in een komvormige inzinking. Het schietveld
is beperkt. Dicht kreupelhout, rijen bomen en bosjes, die vooral rond het
Jezuïtenhof tamelijk voor komen; overdekken de streek. Het maakt het terrein
uitermate geschikt voor hinderlagen, uiterst moeilijk te doorzoeken, daar de
tijd ontbreekt en de verkenners dicht op de hielen worden gevolgd door de
voorhoede, bestaande uit het gros van het I Bataljon en de Compagnie
machinegeweren van de 5de Gemengde Brigade. Het 1ste
Bataljon van het 5de Linieregiment, staat onder leiding van
Commandant Lequeux, een oud-koloniaal. Om 6.45 uur trekt hij met zijn bataljon
over de brug van Molen, ontplooid zijn eenheden ten zuiden van Walestraat over
de Steenweg Rotselaar-Wijgmaal en zet de strijd in tegen de Duitse infanterie.
Een sectie geschut van de 5de
Brigade kiest stelling in de nabijheid der compagnies in de eerste frontlinie.
Spoedig is het 1ste Bataljon in een hardnekkig gevecht gewikkeld en
wordt bestookt door een enorm artillerie-, infanterie- en mitrailleurvuur. De
Duitsers gaan zelf in de aanval. Het gevecht is enorm. Rond 08.45 uur heeft het
1ste Bataljon enorme verliezen ondergaan, maar men vermoedt dat de
vijand er nog erger aan toe is, want zijn vuur neemt opmerkelijk af. Het
Bataljon vraagt dringend munitie en versterking. Het 2de Bataljon
(Majoor Bouhon) wordt ter hulp gezonden. Het vijandelijk vuur neemt toe. De
Duitse artillerie bestookt het ganse terrein. De Belgische vooruitgang wordt
gestuit, maar ondanks de vijandelijke druk en enorme verliezen houden de Belgen
stand. Het 3de Bataljon (Majoor Montlibert) komt intussen ook in
lijn met het oog voor de aanval op Wijgmaal. Onder een duchtige beschieting,
steekt het de brug in Molen over, rukt snel op maar botst op de Duitse
hinderlagen, gespannen in het struikgewas en de bossen tussen de Jezuïtenhoeve
en Walestraat. De compagnies zoeken bescherming en openen onmiddellijk het
vuur. De 2de Compagnie van het 2de Bataljon bemerkt op
minder dan 300 meter een linie tirailleurs. Aan de uniformen kan men zien dat
men te maken heeft met soldaten van de Marinebrigade. Salvo’s en afzonderlijk
geweervuur verdrijven deze aanvallers. Al deze krachtinspanningen gaan gepaard
met grote verliezen en vanaf 08.00 uur trekt dan ook een erbarmelijke stoet van
gekwetsten over de brug van Molen. Rond 09.30 uur brengt de bevelhebber van de
5de Gemengde Brigade de Commandant van het 25ste
Linieregiment op de hoogte van de hachelijke toestand waarin het 5de
Linieregiment zich bevindt. Het dient het offensief van het 5de
Linieregiment te steunen met twee van zijn bataljons. Na een kort oponthoud op
de rechteroever van de Dijle slagen het 1ste Bataljon van het 25ste
Linie (Majoor Tielemans) en het 2de Bataljon van het 25ste
Linie (Majoor Gillet) erin om de fel beschoten brug van Molen te overschrijden.
Omstreeks 10.00 uur wordt de toestand uiterst netelig. De brug lijdt onder de
bombardementen. Het vuur komt uit alle richtingen. Vooral uit het zuiden, waar
nochtans de 6de Brigade met de flankbescherming belast was, verwekt
de nodige onrust. Men zendt een patrouille uit. Deze passeert een
grenadierspost, 300 meter ten zuiden van Molen maar komt niet meer terug.
Tevergeefs zoekt men de vijandelijke stellingen, het uitzicht is echter
beperkt. Het Bataljon van Majoor Tielemans marcheert op kop. Men heeft nog maar
net de andere oever van de Dijle bereikt, waar men stelling neemt of Majoor
Tielemans wordt zwaar in de buik getroffen. De Duitsers hadden de verplaatsing
gezien en zette Molen met zijn artillerie in vuur en vlam. Weldra is de weg van
Molen met troepen overstelpt. De verliezen worden enorm. De eenheden bezetten
de gracht van de Leybeek, het 1ste Bataljon van het 25ste
ten zuiden van de steenweg, het 2de Bataljon ten noorden. Men beseft
het gevaar waarin het 3de Bataljon van het 5de Linie zich
bevindt aan de Jezuïtenhoeve en men plaatst een sectie mitrailleurs op een
zolder van een huis in de Walestraat om de Duitsers in bedwang te houden. Dank
zij het snelle en kordate optreden van deze sectie wordt de Duitse opmars
gestopt en blijft het 3de Bataljon van een onvermijdelijke
uitroeiing gespaard. De huizenrij van de Walestraat biedt een tijdelijke
bescherming tegen kogels; gewonden en stervenden worden er ondergebracht. De 2de
Compagnie van het 3de Bataljon van het 5de Linie,
linkervleugel van de Brigade, dringt door tot de bossen ten noorden van de
Jezuïtenhoeve maar valt onder een gejusteerd vuur. Men tracht tevergeefs op te
rukken, maar moet uiteindelijk wijken, doch moet vaststellen dat zijn
terugtochtweg is afgesloten. Ten koste van vele doden en gekwetsten, die zij in
de bossen dienden achter te laten, kunnen zij zich bij de resten van het 1ste
Bataljon voegen. Zij worden ingedeeld bij dit bataljon, doch men heeft een
groot munitietekort. De Duitsers zijn genaderd tot op 100 meter. Hun overmacht
is verpletterend, het 5de Linie is ten einde kracht en moet wijken.
De meeste officieren zijn gedood of gekwetst, lagere kaders zijn weggesmolten.
Er zijn haast geen bevelvoerende officieren meer. Met het ontbreken van de
bevelhebbers, is de tegenstand ontzenuwd en de uiteengeslagen troepen moeten
wijken. De meesten hebben geen munitie meer. De vijand rukt verder op, benut
het terrein maximaal en maakt uiterst handig gebruik van zijn eigen
mitrailleurs en artillerie. De Belgische stelling is een hel geworden. De
Belgische machinegeweren verschieten hun laatste banden, maar staan machteloos
tegenover de oprukkende Duitsers. De Duitsers omsingelen de Belgen. Het terrein
is bezaaid met doden en gewonden. Zij, die trachten te ontsnappen, zijn doodop
en moeten over de lijken van makkers kruipen, machteloos tegenover sommige
zwaar gekwetsten, die hier en daar met hartverscheurende stem om hulp roepen.
Uiteindelijk bereikt men de lijn, bezet door de Grenadiers, die op hun beurt
onder zwaar vuur vallen. Ondertussen verdedigt de 1ste Compagnie van
het 3de Bataljon van het 5de Linie onder een hevig
bombardement nog steeds de brug. De restanten van de Compagnie machinegeweren
zijn tot aan de brug geraakt. Bijna al de honden zijn verloren, doch alle
stukken staan in stelling. Het helse vuur maakt de overtocht over de brug
echter onmogelijk. Men kant slechts al zwemmend onder een kogelregen de
overkant bereiken.Zij die niet kunnen zwemmen trachten te ontsnappen langs
noordelijke richting, doch worden neergeschoten. |